WEETJES - IDEETJES - LINKS

WEETJES - IDEETJES - LINKS

WEETJES, IDEETJES EN LINKS

START - EIGEN STUKKEN - PALMARES - WEETJES, IDEETJES EN LINKS- BLOG

SKELET VAN EEN PRODUCTIEVERLOOP

Skelet van productieverloopPosted by Oberon I van Mechelen Sat, December 17, 2016 12:40:00

SKELET VAN EEN PRODUCTIEVERLOOP

Dit skelet is algemeen en zeker niet bindend. Het geeft een algemeen idee van een productieverloop zoals ik dat graag zou hebben. Het wordt bij elke productie aangepast aan de realiteit en de wensen van de vereniging.

Drie maanden voor de start van de repetities

- Brochure doorgeven aan regisseur.

- Ik maak een algemene analyse van het stuk en de voornaamste technische aspecten.

- Ik maak een voorlopige repetitielijst.

Zes weken voor de start van de repetities

- Ik kom het stuk en de eerste analyse voorstellen aan spelers, technische ploeg en bestuur.

- Verwachtingen van spelers en bestuur worden doorgepraat in functie van de algemene analyse.

- Met behulp van rolbiografie en voorlopige repetitielijst wordt voorlopige rolverdeling gemaakt.

Twee weken voor start repetities

- Vergadering met heel de groep

- Definitieve analyse doorgepraat.

- Repetitielijst word definitief vastgelegd.

- Rolbezetting wordt in samenspraak met spelers en groep vastgelegd.

- Decor, belichting, geluid worden in grote trekken vastgelegd.

Eén week voor de start van de repetities

- Een of twee lezingen dienen om de spelers vertrouwd te maken met het stuk en hun rol. Na deze lezingen zijn er geen rolwijzigingen meer mogelijk.

Na +/- 10 repetities

- +/- 1/3 van het stuk is gekend

- twee doorlopen om tot vlot samenspel te komen

- technische ploeg en bestuur is welkom om sfeer te proeven en eventueel samen met de regisseur bij te sturen.

Na +/- 20 repetities

- +/- 2/3 van het stuk is gekend

- twee doorlopen om tot vlot samenspel te komen

- technische ploeg en bestuur is welkom om sfeer te proeven en eventueel samen met de regisseur bij te sturen.

- productievergadering om definitief decor, licht en geluid vast te leggen, alle nevenactiviteiten worden hier besproken.

+/- 2 weken voor première

- stuk is volledig gekend door spelers

- alle andere voorbereidingen gaan in uitvoeringsfase

- 2 repetities om het stuk in zijn geheel te spelen.

- 1 repetitie om aan decor te wennen

- 1 repetitie om licht en geluid af te stemmen op spel

- 1 repetitie om kostuums en grime uit te testen en bij te sturen

- 1 repetitie om aan de veranderingen te wennen

- 1 generale repetitie

- Première

Na enkele weken evaluatievergadering

Uw dienaar

Oberon I van Mechelen



  • Comments(0)//goedomweten.amateurtoneel.be/#post4

VRIJWILLIGERS en de wet

Vrijwilliger? Wat zegt de wet?Posted by Oberon I van Mechelen Sat, December 17, 2016 12:16:53

VRIJWILLIGERS en de wet

Vrijwilligers.

Na vele jaren onzekerheid, zoeken en tasten is de wet op het vrijwilligerswerk er eindelijk. Op het eerste zicht niets aan de hand. Maar! Ik zou toch opletten met hoofdstuk III. De organisatienota zou wel eens een scharnierdocument kunnen worden naar al wie langs de zijlijn over een of ander aspect van je organisatie moet/mag oordelen of tussenkomen. (verzekeringen, ordediensten...)

De wet creëert, naar mijn mening, ook een kader waar organisaties gebruik van kunnen maken om betaalde arbeid te vervangen. Misschien is dit wat te ver gezocht?

Lees en vorm je eigen mening.

Uw dienaar

Oberon I van Mechelen

3 JULI 2005. - Wet betreffende de rechten van vrijwilligers

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. § 1. Deze wet regelt het vrijwilligerswerk dat verricht wordt op het Belgisch grondgebied, en het vrijwilligerswerk dat daarbuiten wordt verricht, maar dat georganiseerd wordt vanuit België, op voorwaarde dat de vrijwilliger zijn hoofdverblijfplaats heeft in België, en onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn in het land waar het vrijwilligerswerk wordt verricht.

§ 2. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde categorieën van personen van het toepassingsgebied van deze wet uitsluiten.

HOOFDSTUK II. - Definities

Art. 3. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

1° vrijwilligerswerk: elke activiteit :

a) die onbezoldigd en onverplicht wordt verricht;

b) die verricht wordt ten behoeve van één of meer personen, andere dan degene die de activiteit verricht, van een groep of organisatie of van de samenleving als geheel;

c) die ingericht wordt door een organisatie anders dan het familie- of privé- verband van degene die de activiteit verricht;

d) en die niet door dezelfde persoon en voor dezelfde organisatie wordt verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst, een dienstencontract of een statutaire aanstelling;

2° vrijwilliger : elke natuurlijke persoon die een in 1° bedoelde activiteit verricht;

3° organisatie : elke feitelijke vereniging of private of publieke rechtspersoon zonder winstoogmerk die werkt met vrijwilligers;

4° organisatienota : het document dat de organisatie vooraf aan de vrijwilliger bezorgt en waarin ten minste de in artikel 4 bedoelde elementen worden opgenomen.

HOOFDSTUK III. - De organisatienota

Art. 4. Alvorens de activiteiten van een vrijwilliger voor een organisatie een aanvang nemen, bezorgt de organisatie hem, ter informatie, een organisatienota die ten minste preciseert:

a) wat de sociale doelstelling en het juridisch statuut van de organisatie zijn; indien het gaat om een feitelijke vereniging, welke de identiteit is van de verantwoordelijke(n) van de vereniging;

b) dat de organisatie een verzekeringscontract gesloten heeft voor vrijwilligerswerk zoals bedoeld in artikel 6, § 1;

c) of andere aan het vrijwilligerswerk verbonden risico's gedekt worden en, zo ja, welke risico's;

d) of de organisatie vergoedingen betaalt aan de vrijwilligers en, zo ja, welke en in welke gevallen;

e) dat de activiteiten inhouden dat de vrijwilliger geheimen kan vernemen ten aanzien waarvan hij gehouden is tot de geheimhoudingsplicht bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek, waarbij dat artikel integraal wordt overgenomen.

De bewijslast inzake het bezorgen van de organisatienota berust bij de organisatie.

De organisatie mag de vrijwilliger vragen een exemplaar van de organisatienota te ondertekenen voor ontvangst. Bij de ondertekening wordt de datum vermeld.

HOOFDSTUK IV. - Aansprakelijkheid van de vrijwilliger en de organisatie

Art. 5. Elke organisatie is aansprakelijk voor de schade die de vrijwilliger aan derden veroorzaakt bij het verrichten van vrijwilligerswerk, op de wijze waarop aanstellers aansprakelijk zijn voor de schade aangericht door hun aangestelden.

Ingeval de vrijwilliger bij het verrichten van het vrijwilligerswerk de organisatie of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld.

Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.

Voor de toepassing van dit artikel wordt de persoon die de organisatienota van een feitelijke vereniging tekent als vrijwilliger, onweerlegbaar vermoed geen lid van die feitelijke vereniging te zijn.

HOOFDSTUK V. - Verzekering vrijwilligerswerk

Art. 6. § 1. De organisatie sluit een verzekeringscontract tot dekking van de risico's met betrekking tot vrijwilligerswerk. Dat contract dekt ten minste :

1° de burgerlijke aansprakelijkheid, met uitzondering van de contractuele aansprakelijkheid, van de organisatie;

2° de burgerlijke aansprakelijkheid, met uitzondering van de contractuele aansprakelijkheid, van de vrijwilligers voor de schade die toegebracht is aan de organisatie, aan de begunstigde, aan andere vrijwilligers of aan derden tijdens de uitvoering van het vrijwilligerswerk of op weg naar en van de activiteiten.

§ 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor de categorieën van vrijwilligers die Hij bepaalt, de dekking van het verzekeringscontract uitbreiden tot :

1° de lichamelijke schade die geleden is door vrijwilligers bij ongevallen tijdens de uitvoering van het vrijwilligerswerk of op weg naar en van de activiteiten;

2° de rechtsbijstand voor de onder § 1, 1°, 2° en § 2, 1°, genoemde risico's.

§ 3. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de minimumgarantievoorwaarden vast van de verzekeringsovereenkomsten tot dekking van het vrijwilligerswerk.

Art. 7. In artikel 6 van het koninklijk besluit van 12 januari 1984 tot vaststelling van de minimumgarantievoorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privé-leven, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 december 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1) het 1° wordt aangevuld als volgt : « deze uitsluiting is evenmin van toepassing op de door artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers verplicht gestelde verzekering voor burgerrechtelijke aansprakelijkheid »;

2) het 4° wordt opgeheven.

Art. 8. Vrijwilligerswerk door een vrijwilliger verricht voor een organisatie wordt geacht verricht te worden in het privé-leven zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 januari 1984 tot vaststelling van de minimumgarantievoorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privé-leven.

HOOFDSTUK VI. - Arbeidsrecht

Art. 9. § 1. De Koning kan de vrijwilligers die bij het uitvoeren van hun vrijwilligerswerk arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, omwille van de aard van hun werk geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het toepassingsgebied van :

- de arbeidswet van 16 maart 1971;

- de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen;

- de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;

- de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen;

- de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten.

§ 2. Onder de voorwaarden die de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt, zijn de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan niet van toepassing op het vrijwilligerswerk.

HOOFDSTUK VII. - Vergoedingen voor vrijwilligerswerk

Art. 10. Het onbezoldigd karakter van het vrijwilligerswerk belet niet dat de door de vrijwilliger voor de organisatie gemaakte kosten door de organisatie worden vergoed. De realiteit en de omvang van deze kosten moeten niet bewezen worden, voor zover het totaal van de ontvangen vergoedingen niet meer bedraagt dan 24,79 euro per dag, 600 euro per kwartaal en 991,57 euro per jaar. De in de vorige zin bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100) en variëren zoals bepaald bij de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

Te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet wordt de hoogte van de ontvangen vergoedingen na twee jaar onderworpen aan een evaluatie. Deze evaluatie wordt uitgevoerd volgens de nadere regels die de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalt, met dien verstande dat ze wordt uitgevoerd in samenwerking met de instellingen van sociale zekerheid en dat vooraf het advies van de Nationale Arbeidsraad en de Hoge Raad voor de Vrijwilligers wordt ingewonnen. Het evaluatieverslag wordt onmiddellijk meegedeeld aan de Kamer van volksvertegenwoordigers en aan de Senaat.

Bedraagt het totaal van de door de vrijwilliger van de organisatie ontvangen vergoedingen meer dan de in het eerste lid bedoelde bedragen, dan kunnen deze enkel als een terugbetaling van door de vrijwilliger voor de organisatie gemaakte kosten worden beschouwd, indien de realiteit en het bedrag van deze kosten kan aangetoond worden aan de hand van bewijskrachtige documenten. Het bedrag van de kosten mag worden vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen en toelagen van alle aard toegekend aan het personeel van de federale overheidsdiensten.

Art. 11. Een activiteit kan niet als vrijwilligerswerk beschouwd worden indien één van de of alle in artikel 10 bedoelde grenzen overschreden worden en het in artikel 10, derde lid, bedoelde bewijs niet kan geleverd worden. De persoon die deze activiteit verricht kan in dat geval niet als vrijwilliger worden beschouwd.

Art. 12. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor specifieke categorieën van vrijwilligers, onder de door Hem bepaalde voorwaarden, de in artikel 10 bedoelde bedragen verhogen.

HOOFDSTUK VIII. - Uitkeringsgerechtigde vrijwilligers

Afdeling I. - Werklozen

Art. 13. Een uitkeringsgerechtigde werkloze kan met behoud van uitkeringen vrijwilligerswerk uitoefenen, op voorwaarde dat hij dit vooraf en schriftelijk aangeeft bij het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.

De directeur van het werkloosheidsbureau kan de uitoefening van de activiteit met behoud van uitkeringen, verbieden, of slechts aanvaarden binnen bepaalde perken, indien hij aantoont :

1° dat deze activiteit niet de kenmerken vertoont van vrijwilligerswerk als bedoeld in deze wet;

2° dat de activiteit, gezien de aard, de omvang en de frequentie ervan of gezien het kader waarin zij wordt uitgeoefend, niet of niet langer de kenmerken vertoont van een activiteit die in het verenigingsleven gewoonlijk door vrijwilligers wordt verricht;

3° dat de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt van de werkloze zou verminderen.

Indien binnen twee weken na de ontvangst van een volledige aangifte geen beslissing genomen is, wordt de uitoefening van de onbezoldigde activiteit met behoud van uitkeringen, geacht aanvaard te zijn. Een eventuele beslissing houdende een verbod of een beperking, genomen buiten deze termijn, heeft slechts gevolgen voor de toekomst, behalve indien de activiteit niet onbezoldigd was.

De Koning bepaalt :

1° de nadere regels voor de aangifteprocedure en voor de procedure die toepasselijk is indien de directeur de uitoefening van de activiteit met behoud van uitkeringen verbiedt;

2° onder welke voorwaarden de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening vrijstelling van aangifte van bepaalde activiteiten kan verlenen, inzonderheid indien in het algemeen kan worden vastgesteld dat de betreffende activiteiten beantwoorden aan de definitie van vrijwilligerswerk;

3° onder welke voorwaarden de afwezigheid van een voorafgaande aangifte niet leidt tot het verlies van uitkeringen.

Afdeling II. - Bruggepensioneerden

Art. 14. De in artikel 13 bedoelde regeling geldt eveneens voor de bruggepensioneerden en de halftijds bruggepensioneerden, behoudens de afwijkingen die door de Koning vastgesteld zijn op grond van hun specifiek statuut.

Afdeling III. - Arbeidsongeschikten

Art. 15. In artikel 100, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorgingen en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :

« Vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers wordt niet beschouwd als werkzaamheid, voor zover de adviserende geneesheer vaststelt dat deze activiteiten verenigbaar zijn met de algemene gezondheidstoestand van de betrokkene. »

Afdeling IV. - Leefloon

Art. 16. Onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt, zijn het verrichten van vrijwilligerswerk en het ontvangen van een in artikel 10 bedoelde vergoeding, verenigbaar met het recht op het leefloon.

Afdeling V. - Tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden

Art. 17. Onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt, zijn het verrichten van vrijwilligerswerk en het ontvangen van een in artikel 10 bedoelde vergoeding, verenigbaar met het recht op de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.

Afdeling VI. - Gewaarborgd inkomen voor bejaarden

Art. 18. Artikel 4, § 2, van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 december 1969, bij de wet van 29 december 1990 en bij de wet van 20 juli 1991, wordt aangevuld als volgt :

« 9° de vergoedingen die ontvangen zijn in het kader van het vrijwilligerswerk, voor over ze de in hoofdstuk VII van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers bedoelde bedragen niet overschrijden. ».

Afdeling VII. - Gezinsbijslagen

Art. 19. In artikel 62 van de bij het koninklijk besluit van 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, vervangen bij de wet van 29 april 1996, wordt een § 6 ingevoegd, luidende :

« § 6. Voor de toepassing van deze wetten wordt vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers niet beschouwd als een winstgevende activiteit. De vergoedingen in de zin van artikel 10 van voormelde wet worden niet beschouwd als een inkomen, een winst, een brutoloon of een sociale uitkering, voorzover het vrijwilligerswerk zijn onbezoldigd karakter niet verliest overeenkomstig hetzelfde artikel van dezelfde wet. ».

Art. 20. In artikel 1 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag, zoals gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980, bij het koninklijk besluit nr. 242 van 31 december 1983 en bij de wetten van 20 juli 1991, 29 april 1996, 22 februari 1998, 25 januari 1999, 12 augustus 2000 en 24 december 2002, wordt, tussen het eerste en het tweede lid, het volgende lid ingevoegd :

« Wanneer het kind een vergoeding geniet als bedoeld in de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, is dit geen beletsel voor de toekenning van gezinsbijslag. »

Art. 21. Onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt, zijn het verrichten van vrijwilligerswerk en het ontvangen van een in artikel 10 bedoelde vergoeding, verenigbaar met het recht op de gewaarborgde gezinsbijslag.

HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen

Art. 22. § 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, aan organisaties die zowel werken met vrijwilligers als met personen die geen vrijwilliger zijn, met betrekking tot de bepalingen van deze wet bijkomende voorwaarden opleggen.

In de in het vorige lid bedoelde gevallen kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het werken met vrijwilligers zoals bedoeld in deze wet afhankelijk maken van een voorafgaande machtiging van de minister die bevoegd is voor Sociale zaken.

§ 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop nagegaan wordt of de activiteiten die door een vrijwilliger uitgeoefend worden, beantwoorden aan de bepalingen van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan.

§ 3. De Koning wijst de ambtenaren aan die ermee belast worden toe te zien op de naleving van de bepalingen van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan.

Art. 23. De Koning kan de bepalingen die door artikel 7 worden gewijzigd, opnieuw wijzigen, opheffen of aanvullen.

Art. 24. § 1. Artikel 9 van deze wet treedt in werking op 1 juli 2006.

§ 2. Behoudens andersluidende bepalingen treedt deze wet in werking de eerste dag van de zesde maand na die waarin ze bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad.

§ 3. De organisaties die op de dag van de inwerkingtreding van deze wet vrijwilligers in dienst hebben, mogen van hun diensten gebruik blijven maken, voorzover zij binnen een termijn van zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet aan de verschillende bepalingen ervan voldoen.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 3 juli 2005.

ALBERT II

Van Koningswege :

De Minister van Sociale Zaken, en Volksgezondheid,

R. DEMOTTE

De Minister van Werk,

Mevr F. VANDEN BOSSCHE

Met 's Lands zegel gezegeld :

De Minister van Justitie,

Mevr. L. ONKELINX



  • Comments(0)//goedomweten.amateurtoneel.be/#post3

BASISSTRUCTUUR VAN EEN DRAMATISCH WERK.

Basisstructuur toneelPosted by Goovaerts Raymond Fri, December 16, 2016 17:39:46

BASISSTRUCTUUR VAN EEN DRAMATISCH WERK.

De basisstructuur van een dramatisch werk is steeds eenvoudig.

Juist omdat het zo eenvoudig is zal de maker van een dramatisch werk zijn werkstuk steeds omringen met veel bijkomende versierselen.

Wij (regisseurs) als vormgevers van een dramatisch werk dienen ons heel werk te kaderen binnen de basisstructuur van de schrijver.

Daarom is het zo belangrijk dat wij weet hebben van het bestaan van die structuur en dat wij over een elementaire basiskennis beschikken om ons niet te laten afleiden door de versierselen.

Een schrijver zal er geen bezwaar tegen hebben dat we zijn werk interpreteren en in eender welke vorm gieten, zolang we maar niet raken aan zijn basisstructuur. Eens de basisstructuur gekend zal je merken dat een dramatisch werk een bron van inspiratie is voor ons, vormgevers, waarbij wij onze creativiteit binnen ruime grenzen de vrije loop kunnen laten, zonder afbreuk te doen aan de doelstellingen van de schrijver.

Om de basisstructuur te vinden moeten wij eerst de protagonist en de antagonist vinden en het elementair conflict bepalen

1) Protagonist: De protagonist = hoofdrolspeler - voorvechter (hij is "pro"- voor, hij wil iets) is een personage dat meestal (dus niet altijd) aanwezig is op de scène tijdens het begin van het stuk. (de inleiding)

Op het ogenblik dat alle basiselementen van het stuk duidelijk zijn voor het publiek (de toon is gezet, de voornaamste W's Waar, Wanneer, Wie bekend) zal de protagonist een doel (streven) bekend maken.

De protagonist is het enige personage dat door het verloop van het stuk een duidelijke verandering zal ondergaan.

2) Antagonist: de antagonist = iemand die een tegenovergesteld standpunt inneemt, de tegenstander van de protagonist (hij is "anti"- tegen - tegengestelde van de protagonist)

Op het ogenblik dat de Protagonist zijn doel bekend maakt zal er een tegenkracht opduiken.

Deze tegenspeler (antagonist)zal het doel (streven) van de protagonist trachten te belemmeren en daar al dan niet in slagen.

De antagonist zal door het verloop van het stuk geen verandering ondergaan.

De antagonist en protagonist hebben dus een tegengesteld doel.

Het conflict (Waar gaat het stuk over, Waarover wil de schrijver met ons in dialoog treden) kan duidelijk zijn voor het publiek. Dit moment noemen we het motorisch moment. De voornaamste spelers (Wie) en het doel (Waarom)zijn gekend

Het stuk (conflict) kan van start gaan.

Tijdens de ontwikkeling van het stuk (crisis) krijgt de protagonist met allerlei invloeden (scènes) te maken die zijn doel(streven) positief of negatief zullen beïnvloeden.

Om een onderscheid te maken tussen het stuk en de invloeden die de protagonist meemaakt spreken we van scènes.

Elke invloed (scène) kunnen we beschouwen als een afzonderlijk stuk en is dus ook onderworpen aan het hier beschreven schema.

Bovengenoemde scènes moeten steeds van invloed zijn op de afloop van het stuk.

Dus de afloop van elke scène zal steeds de afloop van het stuk in positieve of negatieve zin beïnvloeden.

Bovenstaande opmerking is gevaarlijk, zij opent de weg om schijnbaar naar believen in een stuk te gaan schrappen. (bijschrijven zal al wat moeilijker zijn)

Ga er echter steeds van uit dat een schrijver geen idioot is, en dat hij bij het schrijven van zijn stuk uitgaat van dezelfde basisregels.

U zal dikwijls merken dat schijnbaar zinloze scènes, geplaatst binnen de juiste context, juist de belangrijkste scènes uit een stuk zijn.

Het einde van de crisis en dus ook het einde van het conflict noemen we de Peripetie. Uit de Peripetie zal blijken of de protagonist uiteindelijk zijn doel(streven) bereikt heeft. (positief of negatief)

Uit deze afloop blijkt ook met welk soort stuk we te maken hebben. (alhoewel dat meestal reeds door de schrijver vermeld word)

Bovenstaande structuur van een toneelstuk kunnen we omzetten in een simpel voorbeeld.

Inleiding:

Een jongen en een meisje zijn verliefd op elkaar. Liefde is een groot woord. De natuur doet zijn werk.

Protagonist en motorisch moment:

De jongen wil trouwen.

Antagonist:

De jongen vraagt de vader toestemming.

Crisis en Peripetie:

De vader twijfelt, zegt ja, en ze trouwen met happy end. Of, de vader twijfelt, zegt neen en dan is het einde een trieste mislukking.

Dit simpel voorbeeld is natuurlijk te weinig om een heel stuk mee te vullen.

Vandaar dat we de crisis gaan uitbreiden.

Als de jongen een negatief antwoord verwacht, gaat hij niet zomaar de hand van het meisje vragen, maar zoekt hij eerst hulp bij de moeder. Hij gaat geld verdienen om een goede indruk te maken, de buurman chanteren om hem te helpen enz..

Let wel op in bovengenoemd voorbeeld wil de jongen alleen maar trouwen, vanzelfsprekend zal hij dat oorspronkelijk willen met het meisje waarop hij verliefd is, maar, dat is niet noodzakelijk om zijn doel te bereiken.

Als het antwoord negatief is formuleert de jongen een nieuw doel,(dat wel ondergeschikt is aan zijn eerste doel) hij gaat het meisje schaken, als dat mislukt gaat hij de vader uit de weg ruimen, een ander meisje zoeken enzovoort.... Uiteindelijk zal hij al dan niet slagen in zijn streven, namelijk, "trouwen".

Meestal volgt na de Peripetie (de jongen trouwt al dan niet) nog een lering (de moraal van het verhaal) in ons voorbeeld zou dat kunnen zijn" trouw binnen uw eigen stand".

De laatste decennia werd er veel geëxperimenteerd met het bovengenoemd schema. Vooral de Peripetie kwam onder vuur te liggen en schrijver schrappen die nogal gemakkelijk omdat zij hun eigen stelling niet willen opdringen aan 't publiek.

De ervaring leert dat het publiek dit niet apprecieert, zij krijgen geen duidelijk antwoord op de problemen die er gesteld zijn in het stuk, en zij gaan naar huis met een gevoel van onvrede.

De hierboven beschreven structuur is elementair, er zijn door de eeuwen enorm veel varianten op gemaakt, maar deze varianten gaan allemaal uit van dezelfde elementaire structuur.

Als U met deze structuur in het achterhoofd naar toneel, film en televisie gaat kijken, gaat U steeds meer respect krijgen voor de creativiteit van auteurs en acteurs.

Naargelang U steeds bedrevener wordt in het gebruik van deze elementaire structuur zal ook Uw eigen creativiteit zich steeds verder ontwikkelen en zal er een nieuwe wereld voor U opengaan.

Deze theorie is slechts een basis en behandelt zeker niet alle aspecten.

Bovendien werd zij geschreven door een goed menende amateur die zelf ook niet alle antwoorden kent.

Zij wordt echter wel bevestigd door dertig jaar praktische ervaring en een onderdeel van mijn eigen opleiding.

Laat deze theorie een aanzet zijn om zelf te gaan nadenken en steeds meer te leren.

Een goed boek waarin meer uitleg staat over boven beschreven structuur is "Handboek amateurtheater" dat samengesteld werd door "Nederlands centrum voor amateurtheater". Het wordt verspreid door "Distributiecentrum voor uitgevers" Santvoortbeeklaan 21-23 2100 Deurne/Antwerpen 03/360.02.11

Elke keer dat een tekst wordt gepresenteerd, toont de regisseur, als product van tijd en omstandigheden, zijn lezing van de tekst en geeft daarmee een beeld van de samenleving zoals die op dat moment gezien kan worden.

Hebt U opmerkingen, ideeën of vragen?

Aarzel niet! Ik leer graag bij.

Uw dienaar

Oberon I van Mechelen



  • Comments(0)//goedomweten.amateurtoneel.be/#post2

MENSEN VAN GOEDE WIL: HET LEESCOMITÉ.

Een stuk kiezen?Posted by Goovaerts Raymond Fri, December 16, 2016 17:28:57

MENSEN VAN GOEDE WIL: HET LEESCOMITÉ.

Vele groepen onderschatten het belang van een doordachte stukkeuze. Nochtans begint daar alles mee.

Het is niet meer dan natuurlijk dat het ene stuk bij u persoonlijk beter aanslaat dan bij iemand anders van de groep en discussies kunnen oeverloos worden. En dan heb ik het nog alleen maar over het leescomité binnen de eigen groep. Toch zijn er een aantal min of meer objectieve criteria die u kunnen helpen bij het doelbewust kiezen van een stuk. Ik probeer hier een en ander op een rijtje te zetten en te duiden. Maar ook hierover kan oeverloos gepalaver ontstaan. Dit artikel wil alleen maar een soort handleiding aanreiken aan “de mensen van goede wil”

Om te beginnen kan een leescomité zelf een soort invulformulier ontwerpen. Dit artikel is ontstaan uit het idee om een invulformulier te ontwerpen. Maar iedere groep moet zijn eigen accenten kunnen leggen en daarom is het ondoenbaar om zo n' formulier te ontwerpen dat voor iedereen dienstig is. Het is niet onbelangrijk om dat formulier zelf te ontwerpen omdat alleen u de gevoeligheden, praktische problemen en aandachtspunten van uw groep kent. Om te beginnen kunt u wat hier volgt gebruiken maar vul zelf aan of negeer wat voor u niet ter zake doet.

Verder op de site staan een aantal fiches die ik gedigitaliseerd heb. Indien u dat wenst kan ik ook uw fiche daar tijdelijk plaats geven. Bovendien kunnen anderen daar via mij hun ervaring toevoegen. Op die manier kan uw leescomité vergaderen met een zo groot mogelijke waaier aan ideeën en opmerkingen waar ze al dan niet rekening mee houden.

Om te beginnen ons invullijstje starten met je eigen naam. Of bijnaam maar dan wel altijd dezelfde gebruiken. Ieder mens vormt een opinie vanuit zijn eigen achtergrond en ideeën. Uw mening is net als die van mij en hem/haar gekleurd, gewassen, gebleekt en misschien wel eens mishandeld in de droogkast. Als je regelmatig uw mening over een stuk geeft gaan anderen onbewust een soort patroon ontdekken en gaat jouw mening een referentiepunt worden waarbij de lezers naar eigen willekeur een paar punten zullen toevoegen of weg laten. Een mooi voorbeeld was de vroegere filmrecensent bij BRT Jo Ropke. Zijn objectieve meetbare kennis van het maken van een film werd wel eens in vraag gesteld maar doordat hij steeds oprecht en vanuit zijn eigen aanvoelen een mening gaf reikte hij iedereen een referentiepunt aan. En dat referentiepunt was uiteindelijk belangrijker dan zijn mening.

Ten tweede de naam van de auteur. Alleen al om praktische redenen dienen we die naam te kennen. Maar ook hier geld het principe van het referentiekader.

De vertaler of bewerker: Als een stuk vertaald is of bewerkt dienen we dat ook te weten al was het alleen nog maar voor het verdelen van de rechten door SABAM. Maar soms wordt een stuk wel eens een kleurtje meegegeven door de bewerker. Als een stuk persoonlijk vertaald is door de schrijver of door een vertaalbureau kan een merkelijk verschil geven. Als leescomité ga je daar waarschijnlijk niet veel belang aan hechten maar als onze secretaris de SABAM formulieren moet invullen gaat hij daar naar vragen. En ook voor de regisseur kan het belangrijk zijn.

De uitgeverij: Nog zo iets waar je als leescomité niet direct een boodschap aan hebt maar de secretaris zal je dankbaar zijn als je het eventjes noteert en ook voor de kassier kan het belangrijke informatie zijn omdat er wel eens grote prijsverschillen kunnen zijn.

Het genre: De bepaling van het genre van een stuk is zowat het delicaatste dat er bestaat. Laat het aan de schrijver over om te bepalen of zijn stuk een komedie is een romantische komedie of een klucht. Hou er wel rekening mee dat een schrijver zijn stuk het liefst in een populair schuifje ziet liggen. U kunt het natuurlijk oneens zijn met de genrebepaling en dat ook in de besloten kring van uw leescomité naar voor brengen, maar als u dat publiekelijk gaat verkondigen zorg er dan wel voor dat u eerst stevig in uw schoenen staat.

De bezetting van een stuk is een van de meest objectieve criteria en toch moet je daar ook nog voorzichtig mee zijn. Soms is het belang van de verschillende rollen mooi verdeeld en heb je allemaal “dragende” rollen maar soms heb je enkele rollen die niet echt dragende rollen zijn zonder dat ze daarom als figuranten kunnen bestempeld worden. Vooral in stukken met een grote bezetting gaat u daar mee te maken krijgen. In vele gevallen zijn deze bijrollen mooie opstapjes voor een nieuw talent binnen uw groep.

Hoe lang duurt het stuk? In de meeste gevallen zal de uitgever je wel vertellen of een stuk al dan niet avondvullend is of hoe lang het stuk ongeveer duurt. Twijfel je, neem dan de tijd op die je nodig hebt om het stuk rustig te lezen.

Het aantal decors: Dat is meestal het eenvoudigste onderdeel. Maar soms zijn er decorwisselingen en dan moet je toch eens afvragen of het allemaal doenbaar is en het hoofd van de decorploeg bij de lezing betrekken. Ook de term “zetstukken” noopt tot enige voorzichtigheid.

Jaar van uitgifte of/en creatie: voor nieuwe stukken is dat meestal niet zo belangrijk maar als je met stukken bezig bent die een paar decennia geleden geschreven zijn kan het wel belangrijk zijn dat je als lezer rekening houdt met de tijdsgeest waarin het werk geschreven werd. Het zal je waarschijnlijk niet dikwijls overkomen maar als je bijvoorbeeld een stuk onder handen krijgt dat op het eind van de jaren dertig door een Duitse jood werd geschreven zal je daar toch wel rekening mee moeten houden of op zijn minst bewust van zijn. En dan komen we aan “ het plot”:

Het plot van een stuk naar voor brengen op een vergadering is zowat het moeilijkste dat er bestaat. Ik raad iedereen aan om de verteller van een plot niet te onderbreken en je vragen te noteren om na zijn uiteenzetting te stellen. Bovendien besteed ik hier een beetje aandacht aan een paar punten die jou als verteller kunnen helpen om met een soort leidraad bij de hand je plot te vertellen. De “voorzitter” kan hierbij iedereen een handje helpen door een paar gerichte vragen te stellen waarvan de antwoorden een vrij goed beeld kunnen scheppen van het stuk. Laat ons beginnen met de vraag:

“Wanneer speelt het stuk” Het antwoord is meestal eenvoudig. Het stuk speelt zich nu af, 500 jaar geleden, of is een sprookje dat niet aan een tijd gebonden is.

Wie speelt het stuk: Meestal staat vooraan in de brochure wel een lijstje met de personages en een korte beschrijving. Ga tijdens het lezen na of je aanvullende info kunt geven.

Waar speelt het stuk: Dit heeft meestal met het decor te maken. Maar het kan ook van belang zijn dat het stuk bvb in een bepaald land speelt. Sommige gewoonten en tradities kennen wij in Vlaanderen niet en bestaan alleen in het land waar het stuk speelt. Is het bvb mogelijk om het stuk te “verplaatsen” naar onze eigen leefomgeving. (dorp/stad) Wat gebeurt er in het stuk: Probeer voor jezelf een lijstje te maken van de gebeurtenissen in het stuk die tot de afwikkeling leiden.

Waarom gebeurt er wat er gebeurt: Het antwoord op deze vraag is niet altijd evident omdat er in een stuks steeds meerdere gebeurtenissen plaats hebben en het niet altijd duidelijk is wat de belangrijkste gebeurtenis is. Alles wat in een stuk gebeurt leidt tot een enkel gevolg. De rede waarom de schrijver achter zijn wit vel papier is gaan zitten. Lig er niet van wakker maar als het antwoord evident is voor jou noteer het dan.

Lees in dat verband ook eens mijn artikel “ basisstructuur van een dramatisch werk

De antwoorden op bovenstaande vragen kunnen u helpen om doeltreffend een plot in een paar zinnen weer te geven.

Taal: Het is haast vanzelfsprekend dat wij hier in Vlaanderen in het Nederlands spelen. Maar neem toch eens in overweging of de gebruikte taal op de scène perfect AN dient te zijn of kan het stuk in de streektaal gebracht worden.

Leest u het stuk vlot en zijn er veel wisselende scènes? Een stuk over de behandeling van een psychiatrische patiënt dat opgevoerd wordt door twee psychiaters aan één tafel zal u waarschijnlijk niet echt vlot lezen en zal weinig wisselende scènes bevatten. Maar! Hetzelfde stuk in dezelfde enscenering waarbij bvb publiek betrokken wordt zou wel eens voor spetterend vuurwerk kunnen zorgen. Vindt u de tekst, het onderwerp en de manier waarop het gebracht wordt spitsvondig, vernieuwend, geestig? Of wordt het ene cliché boven op het andere gestapeld?

Wat vindt u van het verhaal? Gaat het verhaal over een u bekend thema? Of kunt u niet zo onmiddellijk een centraal thema vinden? Of is het thema wel duidelijk maar hebt u er geen affectie mee? Is de structuur van het verhaal u dadelijk duidelijk? Heeft de schrijver een netjes geordend begin midden en einde aan zijn verhaal? Of gooit hij alles doelbewust door elkaar?

Wat denkt u van de doelgroep waarvoor het geschreven is? Is het een stuk waar iedereen kan van genieten? Of is het geschreven voor die derde psychiater? Neemt de schrijver een politiek standpunt in? En dan hebben we nog de doelgroep van de acteurs. Is het stuk geschreven om door jongeren opgevoerd te worden? Heeft de auteur een groep van uitsluitend holebi voor ogen gehad? Of is het stuk net heel geschikt om door gepensioneerden gebracht te worden?

Vervolgens gaan we ook eens denken aan de noeste hanteerder van het zaagske, hamerke en beitelke. Is het decor traditioneel opgebouwd? Waar staat het decor? Misschien staat het wel in het midden van de zaal? Hebben ze meer belichting nodig? Is de kostumering belangrijk? Moet er misschien een speciaal object voorzien worden? Allemaal vragen en antwoorden die thuis horen in het vakje “Techniek”

Als u alle antwoorden weet op voorgaande vragen gaat u alvast kunnen bepalen of het stuk geschikt is voor jouw vereniging. Is het geschikt voor de eerstvolgende productie of misschien voor later? En dan de vraag die alle andere in de schaduw stelt wat is uw persoonlijke algemene indruk van het stuk nadat u alle voorafgaande vragen hebt beantwoord. En hier is uiterste voorzichtigheid geboden. Houd uw persoonlijke algemene indruk voor diegene die er om vragen. Want om te beginnen houdt u er best rekening mee dat u een paar antwoorden op voorgaande vragen verkeerd hebt beantwoord. En ten tweede zal waarschijnlijk alleen uw plaatselijke vriendenkring nederig het hoofd buigen en drie maal uw naam aanroepen als u iets verkondigt.

Al het voorgaande wil natuurlijk niet zeggen dat u geen mening mag hebben en u mag natuurlijk uw mening verkondigen. Als u dus uw mening voor het grote publiek geeft, denk dan hier aan.

Niemand is perfect behalve diegene die “iemand met een mening” aanvalt.

Al het voorgaande brengt ons bij volgend mogelijke vragenlijstje.

Naam:

Titel:

Auteur:

Vertaler/bewerker:

Uitgeverij:

Datum van uitgifte:

Genre:

Bezetting:

Lengte:

Decor:

Het plot:

Wanneer?

Wie?

Waar?

Wat gebeurt er?

Waarom gebeurt er wat er gebeurt?

Taalgebruik?

Hoe leest het stuk?

Wat denkt u van het verhaal?

Thema

Structuur

Doelgroep publiek?

Doelgroep acteurs?

Decor

Licht

Geluid

Aankleding

Toebehoren

Kostumering:

Heb ik dit stuk graag gelezen?

Is het stuk geschikt voor de doelstellingen van onze groep?

Wil ik dit stuk (door mijn groep) gespeeld zien?

Wat ik hierboven schrijf lijkt zo eenvoudig en zo vanzelfsprekend en toch heb ik in mijn 30 jarige praktijk zelden een degelijk gefundeerde keuze van een stuk meegemaakt. Ik ben er mij van bewust dat ik niet volledig ben en dat het allemaal veel beter kan verwoord worden. Maar als we samen met bovenstaande al eens beginnen hebben we tenminste een startpunt van waaruit we kunnen groeien.

Nog veel plezier aan alle lezers; “Mensen van goede wil”

Uw dienaar

Oberon I van Mechelen



  • Comments(0)//goedomweten.amateurtoneel.be/#post1
« Previous